9e Jaargang, woensdag 16 januari 2019
bouwprojecten

Molen De Noord

Rotterdam, 27 januari 2014

De Molen op het Oostplein, in 1577 door de pannebakker Cornelis Janszoon gebouwd.

De Molen bleef staan

Dichte rook vervulde de lucht. Te midden van dien damp hoorde ik een regelmatige suizend geluid. Neen, het kwam niet van de plaats waar de Mariniers-kazerne gestaan had. Dichterbij gekomen ontdekte ik de wieken van den molen. Zij draaide stevig rond en het was of zij den rook en de vonken voortsmeten die altijd weer kwamen opzetten.

Wie hier niet thuis geweest was, had misschien alleen de geheimzinnige wieken door de lucht zien slaan en den molen zelf niet ontdekt. Ik wist hem echter daar. Toen moest ik een oogenblik naar mijn hoofd grijpen om vast te stellen, dat ik niet bevangen was in den stroom van een apocalyptisch schouwspel, maar dat het werkelijkheid was.

De bewoners waren van schrik weggevlogen uit een buurt die door het verteerd werd. De molenaar was bij zijn molen gebleven. Hij had de vang losgegooid en liet hem nu strijden tegen het vuur. Zeker, de vlammen blakerden en schroeiden stellingen en ander houtwerk, maar de molen bleef behouden. Hij won met hulp van den straffen wind, die elders zooveel kwaad heeft gedaan.

uit:
Algemeen Handelsblad
09 oktober 1940

Molen op het Oostplein afgebrand

De oude historische meelmolen op het Oostplein te Rotterdam, de molen die eeuwen trotseerde en de grote catastrofe van Mei 1940 eveneens overleefde, is vannacht door brand verwoest.

Om kwart voor vier werd de brandweer gewaarschuwd, dat er rook kwam uit de vele open vensters, die het stenen gevaarte telt, maar ofschoon er onmiddellijk zeer veel groot materiaal uitrukte, was het reeds bij aankomst duidelijk, dat men hier voor een verloren zaak stond, temeer daar, toen men de deuren had moeten forceren om de vuurhaard te bereiken, de molen als een gigantische schoorsteen ging trekken.

Maar er was nog een andere, een veel hachelijker factor: in verband met de metamorfose van het Oostplein tot een groot verkeersplein is namelijk de omgeving van de molen niet alleen tot meer dan honderd meter in het rond opgebroken, zodat men er met een zandmassa te doen heeft, maar bovendien trof het ongelukkig dat de tramrails, die als een dubbele ring om de molen heen liggen, reeds op hoger niveau zijn gebracht en dus tientallen centimeters boven de zandvlakte uitsteken. Hierdoor was het onmogelijk voor de brandweerspuiten en de grote ladderwagens de brandende kolos te bereiken. Het enige, dat men doen kon, was van zeer verre afstand de slangen aanvoeren en van de grond af water in de vuurmassa werpen. Zo slechts kon men trachten wat water door de open vensters heen naar binnen te krijgen. De kap kon men onder de gegeven omstandigheden, onmogelijk bereiken want deze stadsmolen is als een toren zo hoog gebouwd.

Door de enorme hitte waren de wieken gaan draaien en dit maakte het voor de brandweer nog moeilijker vanwege het gevaar dat het wiekenstel, als de asbalk doorgebrand zou zijn naar beneden zou komen. Men tast nog in het duister over de oorzaak van de brand.

uit:
De Tijd
28 juli 1954

Het wonder van Rotterdam

Een wonder is wei te Rotterdam gebeurd, waar de hooge molen op het Oostplein, eigendom der gemeente, de dagen van oorlogsgeweld heeft overleefd. Dit is echter te danken aan den huurder, den heer A. Kluit, die een begin van brand met hulp van eenige onverschrokken Rotterdammers wist te stuiten en daarna den molen volgens oud molenaarsgebruik „vonken liet malen”, waardoor het vuur geen kans kreeg den molen te naderen. Hem zij hier hulde gebracht voor zijn doortastendheid in die bange uren, die zijn stad moest doormaken en waardoor voor onze Maasstad althans dit sieraad behouden bleef. De Oostpleinmolen troont nu te midden van een woestenij, wat spoedig veranderen moge. In het nieuwe Rotterdam zal hij zijn plaats behouden, zooals wij tot onze voldoening van ir. W. G. Witteveen vernamen, bij wien onze vereeniging hiervoor een lans had gebroken.

uit:
Agrarisch Nieuwsblad
3 april 1941

Rotterdamse architect maakt ontwerp voor nieuwe Noord

Het verbranden van de molen De Noord en de problemen, die daarmee gerezen zijn, zetten de fantasie van de Rotterdamse architect en stedebouwkundige D.J. Dijk in werking. Hierbij volgt de vrucht van zijn overpeinzingen en zijn architectonisch inzicht. Hij schrijft bij zijn ontwerp: *

Er heeft een ongelukkig voorval plaatsgevonden. De molen van het Oostplein is uitgebrand. Wij hebben ons af te vragen om welke reden dit voorval ongelukkig is:

1) We zouden het jammer kunnen vinden alleen om de materiële schade; a. voor de gemeente, d.i. voor ons allen; b. voor de molenaar, die zijn bedrijf ziet platgebrand.

2) We zouden het jammer kunnen vinden voor de stedebouw rondom dit gebouw, waarbij getracht is een entourage voor dit „oorlogsmonument” te creëren.

3) We zouden het jammer kunnen vinden om het mooie van het ding zelf.

4) We zouden het jammer kunnen vinden om gevoelsredenen, d.i. omdat die molen zich tijdens de grote brand, zo „manmoedig” wiekenzwaaiend tegen die brand heeft weten te verdedigen. Om 1) treuren zeer waarschijnlijk maar weinigen. Het leven is hard en dat, wat de molenaar is overkomen, kan ieder gebeuren en gebeurt, ook dagelijks door allerlei oorzaken. Om 2) bekommeren zich alleen de architecten ten stedebouwkundigen, bezig met dé wederopbouw van onze stad. En deze mensen, indien in het bezit van genoeg verbeeldingskracht en fantasie, vinden zeker een oplossing van het ruimtelijk probleem na deze brand. Om 3) kan eigenlijk niemand treuren, want op de keper beschouwd was deze molen niet mooi. Het metselwerk was beschadigd en grof bijgepleisterd. De wieken (van plaatijzer, met een imitatievormgeving van hout) waren, ‘hoewel als silhouet interessant, niet van de schoonheid, die een oude molenmaker zou hebben weten te bereiken.

Om deze drie redenen kunnen wij, Rotterdammers, dus wezenlijk niet rouwig zijn en er blijft dus de vierde reden over; een reden dus van het sentiment. Dat sentiment, dat vraagt om het terugkomen van het verloren gegane. Dat verloren gegane, dat. indien geforceerd teruggehaald, wordt tot een imitatie, die nooit wezenlijk dat oude zal kunnen vervangen en altijd de bijgedachte geeft van „niet echt” te zijn.

Moeten onze gevoelsoverwegingen zo zwaar drukken, dat we daarvoor deze imitatie, dit niet-echte, overhebben? Ik geloof het niet en er zijn zeker velen met mij, die dit zullen kunnen beamen.

Trouwens, indien we de geschiedenis nagaan, zullen we zien dat in werkelijke cultuurperioden, aanpassing aan het oude en het imiteren daarvan nooit voorkwam.

Dat we in een periode van overgang leven is voor ieder wel zeker, hoewel wij duidelijk tekenen waarnemen, waaruit zou kunnen blijken, dat er symptomatisch een begin is te ontdekken.

Cultuurperioden worden echter gedragen door een vaste overtuiging in het algemeen en een daaruit voortvloeiende kracht. Deze elementaire punten zijn toch ergens in onze stad en haar bevolking aan te wijzen en dit treedt ook al aan het licht tegenover vele andere steden in Nederland en misschien zelfs in Europa. Zou Rotterdam zich dan een imitatie kunnen veroorloven?

Stedebouwkundig gezien is het Oostplein ontworpen om de molen. Dit drukt zijn stempel op dit plein en daardoor kan dit plein dit verticale element op die plaats niet missen. :. Maar zou het dan niet juister zijn, te zien wat is overgebleven en wat daarmee zou zijn te doen, gezien naar de geestelijke en materiële behoeften van dit moment en later. .-;-“:;-”

Zo redenerend denken we aan het Oostplein als begin- en eindpunt, dus als overgangspunt van city naar omliggende woon- en werkgedeelten van de stad. Een overgang dus van de winkelstraten Hoogstraat, Goudsesingel, Groenendaal naar voornamelijk het woongebied Kralingen en het werkgedeelte van de Oostzeedijk.

Wat is er juister op dit punt dan – een rustplaats, neerkijkend op de drukte van verkeer en wandeling?

Zo kom ik tot het voorstel de bestaande romp van de molen te verbouwen en in te richten als café-restaurant (waarbij enkele terrassen) met in het onderste gedeelte de mogelijkheid van expositie van in het puin en daaronder gevonden herinneringen aan het Rotterdam van vroeger (tot dusver werd hiervoor nog geen passende plaats gevonden), aldus proberend de noodzakelijke verticaal te bewaren, het nog bestaande voorzover mogelijk nog te benutten en een nieuwe dienende functie te geven, die ook nog de herinnering – voor velen zo dierbaar – wakker. roept aan datgene wat was.

uit:

Het Vrije Volk
4 augustus 1954

 

Geen genade voor de molen „De Noord”

De molen „De Noord aan het Oostplein in Rotterdam, die in 1954 geheel door brand werd verwoest, heeft geen genade kunnen vinden bij de vroede vaderen van de Maasstad. Tijdens een langdurig debat, waarbij de raadsleden hun tong reeds konden scherpen voor de begrotingsdebatten, die donderdagavond begonnen zijn, naar aanleiding van een voorstel om in beginsel te besluiten de molen te herbouwen, hebben voor- en tegenstanders vinnig tegenover elkaar gestaan. Er zijn hartstochtelijke pleidooien gehouden om de molen, als een van de laatste monumenten, die aan het oude Rotterdam herinneren, te bewaren. Maar neen, de modernisten, de Rotterdammers van vandaag, die de dynamische stad van nu hebben gemaakt, hebben geen rust kunnen vinden bij een oude molen. Zij wensten ook dit stuk vaderlandse geschiedenis weggevaagd te zien. Tussen de nieuwe huizen- en zakentorens bleek voor zoiets als een windmolen geen plaats.

De voorstanders hebben genoeg hun best gedaan het vijandige kamp te overtuigen. Er bleken hier geen politieke standpunten in het geding. Slechts het hart sprak. De molen „De Noord” was met de Sint Laurenskerk en het stadhuis zo ongeveer het enige dat overbleef uit de branden en verwoestingen van Mei 1940. De Rotterdammers zagen in deze oude, hoge molen een symbool van de Hollander, die onvergankelijk schijnt bij de nieuwe stedebouwkundige conceptie van de stad werd aan die molen een grote plaats toegedacht Hij zou als een trouwe wachter staan, midden op het Oostplein, omgeven door grote, nieuwe bouwwerken, tegen de horizontale lijnen waarvan, zijn verticale ramp gunstig zou afsteken.

Maar in de zomer van 1954 brande de molen „De Noord” geheel af. Aanvankelijk dacht men hem nog te kunnen restaureren, en iedereen was daar even enthousiast over, het ministerie van O. K. en W., de vereniging „De Hollandse Molen”, Gedeputeerde Staten van Zuid- Holland, het gemeentebestuur van Rotterdam zowel als de Rotterdammers zelf, die spontaan 20.000 gulden bijeenbrachten voor het herstel. Weinige maanden later bleek dat de molen niet te restaureren was en helemaal moest worden afgebroken. Voor de vrienden van de molen was dat geen bezwaar. Waar begint herbouw en waar eindigt restauratie? hebben zij gedacht en zij bleven op een herbouwde molen hopen. Anderen echter bleken niet zo trouw en wilden nu op het Oostplein iets anders zien, een soort Are de Triomphe, een standbeeld van een Marinier, een abstract beeldhouwwerk, dat misschien wel de suggestie zou kunnen geven van een molen, een planetarium of iets dergelijks. Neen, zeiden de vrienden, wij willen de molen, doodgewoon de molen terug, want daar houden wij van. Onder hen bevond zich de nijvere wethouder van Openbare Werken de heer J. Meertens. Maar ook zijn vurig pleidooi mocht niet baten. Met 22 tegen 18 stemmen werd besloten de molen niet te herbouwen en een ander monument voor het Oostplein te zoeken.

uit:
De Tijd
25 november 1955