9e Jaargang, woensdag 16 januari 2019
bouwprojecten

Admiraliteitskade

Rotterdam, 12 april 2013

Altijd, als ik op de Boompjes sta en naar de overkant van de Maas kijk, naar de huizen op het Prinsenhoofd, dan moet ik denken aan het schilderij van Breitner, dat ik eens zag m het ‘Rijksmuseum van Amsterdam. Misschien hangt het er nog. De raamlijstsn lopen in lange rijen boven elkaar; de dakvensters markeren de woning- pakhuispanden en het witte lijnenwerk van zandsteen boven deuren en vensters, de daklijsten in vaste cadans van hoeklijnen, dat alles maakt een Hollands woningrijtje tot ‘n schilderachtig grapje. Het wekt een intieme sfee en het was geen wonder, dat Breitner hield van de huizen aan de gracht, spiegelend in het stille water, omhangen door een dunne nevel, met  soms een pluimpje rook uit de schoorsteen, die verhaalde van huiselijke knusheid, die daar binnen, in de huiskamer woonde.

En als je dan naar dit plaatje kijkt, naar dat speelse front van huizen, kantoren en opslagplaatsen aan de lange’ Admiraliteitskade, dan zie je het toch wel anders, dan op die ochtend, toen je wat laat uit de tram stapte op het Oostplein, vlak vóór de molen en je over de brug rende op’ weg naar het Maasstation. Lijn vier schuurde knierpend over de rails en je week op de smalle stoep uit voor een voetganger voor je. die de tijd had en over de klapbrug klonken je snelle voetstappen als een roffel. Je zag nauwelijks de ruïne van ‘t ooglijdersinstituut, waar nu een handelaar is neergestreken onder het kapotte dak en de meeuwen, die zich krijsend wierpen op de eetrestanten, die het riool uitspuwt in de Nieuwe Haven, trokken -je aandacht niet.

Maar dit toch is een plekje Rotterdam, op de grens van de brandhaard van Mei 1940, waar eens de Marinierskazerne stond: Midden op de dag genomen en mensen zie je bijna niet. Wel de schuiten van de gemeentelijke vervoersdienst, die het stadsvuil wegvaren; ze liggen daar achter het witte gebouwtje en u ziet er de grijsgele vuilniswagens af en aan rijden. De beurtvaarders en slepers liggen in de Haringvliet en in het Boerengat, voor de wal en links in de hoek de slanke molen, die zich — herinnert u zich nog ? — tegen de aanstormende vlammenzee verdedigde, door als een krankzinnige zijn wieken te laten draaien.

Neem de – rust van dit plaatje in u óp. Ook op deze plek van Rotterdam zal — als eenmaal het Maasstation er niet meer zal zijn — veel gaan veranderen.

Uit;
Het Vrije Volk
25 januari 1951