9e Jaargang, woensdag 16 januari 2019
bouwprojecten

Koninginnebrug te Rotterdam

Rotterdam, 12 januari 2012

Een nieuwe kwestie vervult inmiddels de gemoederen. De jury in de prijsvraag voor de brug over de Koningshaven heeft indertijd twee ontwerpen aangewezen, die ernstig voor uitvoering in aanmerking zouden komen.

De directeur van Gemeentewerken nu heeft de inzenders van beide ontwerpen in de gelegenheid gesteld hun ontwerpen nader te bezien en heeft thans het ontwerp “Op hoog van zegen” (een dubbele basculebrug) voor uitvoering voorgedragen.

Hij acht weliswaar de ontwerpen technisch gelijkwaardig, doch aesthetische overwegingen doen hem het ontwerp “Pentagram in cirkel” (een hefbrug) terzijde leggen. Integendeel, in den raad, in de pers en onder de architecten blijken sterke sympathiën te zijn voor het ontwerp “Pentagram in cirkel” van den Rotterdamsche ingenieur Emmen.

Uit zeker technische instinct voelen velen voor een zoo laag boven het water gelegen brug van 50 Mr. Doorvaartwijdte, het voordeel van den hefbrug boven de dubbele basculebrug en wat het uiterlijk aangaat, de gespierde, gedurfde betonpijlers met daartusschen de luchtige opschuivende brug hebben het gevoel voor de schoonheid der techniek, dat bij rasechte Rotterdammers latent aanwezig is, een nieuwen, sterken prikkel geven.

Trotsch als zij zijn op hun kolentips, hun graanzuigers, hun silo’s, hun zeeschepen, hun drijvende bokken, enz. geven zij verre de voorkeur voor Emmen’s frisch ontwerp boven het zware, alledaagsche product van een Duitsche fabriek.

Het wil er bij een massa Rotterdammers niet in dat, waar bij meerdere zaken een overheidstoeslag gegeven wordt ten einde opdrachten voor de plaatselijke nijverheid te behouden, dit belangrijke werk in Duitsche handen zou worden gegeven en het kloek ontwerp van hun stadsgenoot, juist o, aesthetische redenen, onuitgevoerd zou moeten blijven.

Wij kunnen ons niet onttrekken aan den indruk bij het lezen van het rapport van den directeur, dat deze zijn redenen heeft, nog buiten de merites van het Duitse project, die zoo zeer naar voren te brengen.

De meeste voor de hand liggende verklaring moge zijn dat bij aanvaarding van een fabrieksontwerp “het opmaken van uitvoerige, tot in bijzonderheden afdalende bestekken kan achterwege blijven.”

Wij kunnen persoonlijk niet anders dan de algemeene bewondering voor het hefbrugontwerp deelen.

De structuur van het inderdaad kolossaal gevaarte is van een zoo ongerepte natuurlijke schoonheid dat men rechtuit maling krijgt aan de traditioneele overwegingen van “schaal” en aansluiting aan de laat-negentiende eeuwsche bebouwing van de van der Takstraat en Rosestraat.

De uitdrukking van volkomen beheerschte rustige kracht in de betonconstructies geven een impressie van zuiver zakelijke schoonheid, die wij ons niet herinneren ondergaan te hebben sinds wij zes, zeven jaar geleden voor het eerst zagen het ontwerp van Duiker en Bijvoet’s Academiegebouw.

De heer Emmen moet wel een geboren constructeur zijn om zuiver langs den weg zijner ingenieursformules gekomen te zijn tot de samenstelling van een ultiliteitswerk van zoo hooge architectonische waarde, tot welke artistieke bekwaamheden hij trouwens, voor zoover wij weten, zichzelf nooit in staat droomde.

Wij begrijpen volkomen hoe het mogelijk is dat dit ontwerp bij leeken als architecten zoo onverdeelden bijval vindt, wij begrijpen volkomen dat ook de jury dit ontwerp, dat eigenlijk inging tegen de in het programma uitgesproken wenschen, om zijn bijzondere kwaliteiten toch zoodanig naar voren bracht, wij deelen echter geenszins de door den architectuur zoo zonder aarzeling uitgesproken vrees voor aantasting van het stadsbeeld.

Als Rotterdam iets hoognoodig heeft dan zijn het bouwwerken van deze aard. Men moge hiervoor doode steden als Enkhuizen en Veere willen behoeden, Rotterdam heeft het recht een bescherming als deze af te wijzen.

Het is een werk uit één stuk, een flinke, frissche gedachte en wij zouden het oprecht betreuren als aan onze stad dit krachtige Hollandsche werk ontging

uit:
Bouwkundig Weekblad
nummer 7
13 februari 1926
blz. 67-68